Algemeen:
Geslachtsverschillen bij reptielen worden op deze pagina per diergroep behandeld. Verder zijn van belang voor de reptielenkweek:
- partnerkeuze
- paring
- eileg
- incubatie van de eieren
- Opfok van de jongen
Partnerkeuze:
Bij een aantal soorten wil niet ieder mannetje met ieder vrouwtje paren en omgekeerd. Uitwisseling van dieren kan soms uitkomst bieden. Probeer inteelt te voorkomen, doe zo mogelijk aan een stamboek mee.
Paring:
Meestal kunnen direct of enkele weken na een gelukte stimulus paringen verwacht worden. Deze verschillen inhoudelijk per diergroep en worden bij desbetreffende orde besproken. De paartijd kan enkele dagen tot enkele maanden duren!
Eileg:
De eileg kondigt zich aan door: verdikkingen (bobbels) in de buik een snelle gewichtstoename, graafneigingen en/of onrustig gedrag, stoppen met eten, een vervelling. Zorg ervoor dat reptielenvrouwtjes een geschikte eilegplaats kunnen vinden, b.v. een plek met losse, vochtige aarde. Als er geen geschikte ei legplek aanwezig is, kan legnood ontstaan, hetgeen de dood van het dier tot gevolg heeft. Deze kan soms voorkomen worden door injecties (dierenarts) met vloeibare kalk en hormonen (oxytocine) of operaties.
Incubatie:
Gelegde eieren worden zo snel mogelijk weggehaald.
Draai de eieren nooit, omdat het embryo niet vastgehouden wordt door een 'hagelsnoer' zoals bij vogels. Daardoor kan het embryo na het omdraaien beschadigen en afsterven. Broed de eieren kunstmatig uit (incubatie), om de broedomstandigheden beter te kunnen beinvloeden en te controleren. Bovendien is het vaak te droog of te koud in het terrarium en eten veel ouderdieren hun jongen op na uitkomst. Laat het vrouwtje het nestgedrag (b.v. hol dicht maken) voltooien en verwijder daarna de eieren. Zelfs twee maanden later weten de vrouwtjes vaak nog waar de eieren hadden moeten liggen en raken gestresst als die plek veranderd wordt. Bevruchte eieren zijn strak, meestal egaal wit en vertonen kort na het leggen vaak een kiemschijf aan de bovenzijde. Schildpadeieren vormen op dit laatste een uitzondering.
Bij de incubatie zijn van belang:
- Voor de meeste (sub-)tropische soorten moet de tempratuur minimaal 26C, maximaal 33C zijn.
- Zorg voor een constante temperatuur met een maximale afwijking van 1 tot 4C.
- Meestal wordt bij ± 30C geincubeerd.
- De vochtigheid van de lucht, deze moet hoog zijn (80 tot 100%)
- De vochtigheid van het substraat.
De temperatuur heeft invloed op een aantal zaken:
- De verhouding mannetjes/vrouwtjes.
Afhankelijk van de soort levert een hoge temperatuur meer dieren van het ene of het andere geslacht op. Soms leveren zowel hoge als lage temperaturen veel vrouwtjes op en tussentemperaturen voornamelijk mannetjes. Globaal komen uit hagedisseneieren bij ± 27C voornamelijk vrouwtjes uit het ei en bij 32C mannetjes. Bij schildpadden levert 27C juist voornamelijk mannetjes en 32C vrouwtjes. De tussenliggende temperaturen leveren een meer gemengde geslachtsverdeling op.
- De incubatietijd.
Hogere temperaturen geven snellere ontwikkeling. Bij (langdurig) te hoge (en te lage) temperatuur sterven de embryo's af
- De grootte en groei.
Lagere temperaturen geven vaak grotere, sterkere jongen. Misvormde jongen zijn vaak het gevolg van een te hoge temperatuur.
- Pigmentering (kleuring) van de jonge dieren.
Het maakt niet zoveel uit of de eieren in vermiculiet, veenmos, turf of zand gelegd worden. Vermiculiet (opgeblazen tufsteen dat wordt gebruikt in plantenkwekerijen) houdt vocht goed vast en wordt veel gebruikt. Meng, voor een voor de meeste soorten goede vochtigheid, 100 gram fijne vermiculiet met 80 à 100 gram water, of bevochtig veenmos en wring het zo goed mogelijk uit. Maak, als de eieren invallen, het substraat rondom de eieren iets vochtiger met water, dat in de broedmachine al op de juiste temperatuur is gekomen. In een te vochtig substraat nemen de eieren te veel water op, waardoor de druk in het ei te hoog wordt en de jongen sterven.
Een goed ei is mooi van kleur en kan veel hebben, zachtschalige eieren groeien.
Bij doorlichten met een lampje (pas op voor te veel hitte) is adervorming of donkerkleuring in het ei te zien. Iets bruinkleuring van de schaal is niet altijd schadelijk.
Verwijder schimmelende eieren alleen als er gevaar voor de andere eieren dreigt. Legt ze bij twijfel in een apart bakje. Een aangetast, aan de overige eieren vastzittend ei, kan soms met een injectiespuit leeggezogen worden zodat schimmelgroei e.d. beperkt blijft.
Als volledig uitgegroeide jongen niet uit het ei komen, was:
- het substraat te vochtig
- de temperatuur verkeerd. of
- hebben de ouderdieren te weinig vitaminen of mineralen gehad.
Beweging van de eieren:
- Draai de eieren nooit.
Het embryo hangt niet vast en beschadigt bij draaiing.
- De eerste 24 uur van de ontwikkeling is het draaien minder ernstig.
- Markeer de bovenkant van elk ei met potlood.
- Leg eieren bij onvoorziene draaiing weer in de oorspronkelijke stand terug.
De hoeveelheid zuurstof en kooldioxide om het ei:
- Ventileer zodanig dat de temperatuur gehandhaafd kan blijven.
De genoemde omstandigheden bereikt men met een aantal typen broedmachines:
- Een oude ziekenhuiscouveuse.
Deze is zelden te krijgen en meestal erg duur.
- 'Au bain marie'
in een aquarium verwarmt een aquariumverwarming of warmtemat, gekoppeld aan een thermostaat, het water zodanig dat de lucht boven het water b.v. 30¡C is. De luchtvochtigheid is meteen ook erg hoog.
Boven het water staat een bakje met daarin de reptieleneieren. Leg bij deze 'natte' broedmachine de eieren in veenmos, omdat vermiculiet soms te veel water opneemt. Sluit het bakje af, zodat uitgekomen jonge reptielen niet in het water kunnen vallen! Zorg wel voor ventilatie in het bakje
- In een geisoleerde kist
(tempex doos, koelkast) wordt lucht, verwarmd met een warmtekabel, warmtemat of met minimaal drie lampjes (b.v. 3 x 15 watt in een 40 x 30 x 30 cm grote kist), gekoppeld aan een thermostaat. Een schaaltje water, afgedekt met nylonkous ter voorkoming van verdrinking, zorgt voor een hoge luchtvochtigheid.

Bezuinig niet op het materiaal, het betaalt zich vanzelf weer terug! Een computerventilator, gekoppeld aan een adapter, kan in de zelfbouwmachines voor een lichte luchtbeweging zorgen. Permanent controleren thermometers en luchtvochtigheidsmeters de temperatuur en relatieve luchtvochtigheid Gebruik digitale meters die de minimum- en maximumwaarden opslaan. Zorg er altijd voor dat er geen condenswater op de eieren kan druppelen. Voorkom dit door een schuine ruit boven in de broedmachine, door dekseltjes boven de eieren of door vastgeklemde handdoeken. De eieren mogen ook nooit direct worden besproeid met water. In hoge broedmachines is het boven in warmer dan onderin. Maak daar gebruik van als eieren bij verschillende temperaturen uitgebroed moeten worden. Leg de eieren met hun onderste helft in het substraat. Trek vastgekleefde eieren niet los, maar incubeer ze in de oorspronkelijke positie. De incubatietijd verschilt per soort. Help een uitkomend jong nooit. Het kan makkelijk 24 uur (tot 2 weken) duren voordat een jong dier uit het ei kruipt, nadat hij met een eitand het eerste sneetje heeft gemaakt. In de tussentijd is het jong bezig zijn eidooier op te nemen. Vlak voor uitkomst zakken zachtschalige eieren in. Soms (b.v. bij doornstaartagamen) gaan ze 'zweten', er staan dan druppeltjes op het ei. Als het jong binnen 24 uur na het inzakken nog geen sneetje heeft gemaakt, kan de schaal voorzichtig in of net naast het midden met een pincet worden beetgepakt. Snijdt dit stuk in met een scheermesje of scalpel. Knip daarna voorzichtig met een schaartje het gaatje iets groter. Laat het ei nu met rust, trek nooit het jong uit het ei. De longademhaling is soms pas uren later zichtbaar. Als het jong zijn kop terugtrekt, is dat het teken dat het eraan komt. Men kan zich afvragen of zwakke jongen, die niet zelfstandig uit het ei kunnen komen, wel in leven moeten worden gehouden. Het is normaal dat niet alle eieren uitkomen, ook in de natuur en bij professionele kwekers.
Een eerste legsel van een vrouwtje mislukt vaak.
Opfok van de jongen:
Let bij de opfok op de volgende punten:
- Het terrarium dient een verkleinde versie te zijn van het terrarium voor de ouderdieren, met dezelfde temperatuur, iets vochtiger omstandigheden en gemakkelijk schoon te maken.
- Veel woestijndieren worden in de natste tijd geboren. Besproei jonge dieren daarom liefst elke dag met water, mits dit geen stress veroorzaakt (vluchten voor het water)
- Voeg regelmatig vitamine D3 en kalk aan het water toe.
- Zorg voor een vochtige plek in de opfokbak, bijvoorbeeld een bakje vochtig veenmos.
- Het duurt vaak een aantal dagen voordat jonge reptielen gaan eten.
- Ze eten meestal hetzelfde, kleingesneden voedsel als hun ouders, maar vaak met een hogere behoefte aan dierlijke eiwitten.
- Voer liever drie keer per dag een beetje dan eens per dag te veel.
- Te veel krekels maken de diertjes gek en kunnen de jongen aanvreten.
- Zien eten, doet eten.
Veel reptielen worden daarom in een groepje opgefokt, totdat territoriumdrang ontstaat. Nadat het eerste jong is gaan eten, zullen de andere vaak volgen.
- Bij sommige hagedissen moet men de jongen juist met maximaal twee bij elkaar houden, omdat anders stress ontstaat.
- Bij slangen is de voedselopname te controleren door elk jong apart te huisvesten. Bovendien zijn jonge slangen vaak kannibalistisch.
- Geef extra aandacht aan toevoeging van voldoende vitaminen (vooral D3) en mineralen (vooral calcium)
- Sleep de jonge dieren niet in stressverwekkende bakjes voor verkoop mee van beurs naar beurs.
Probeer liever de dieren 'uit huis' te verkopen!